‘Nééééjjj! Dit zit NIET lekker! Ik-ga-NIET-naar-school!’
‘Wacht, ik help je wel even met je schoen.’
‘Het is niet mijn schóehoen! Het is die rotsok! Waarom koop je ook altijd sokken met van die shitrandjes! Mama, ga WÉG!’
Mijn zesjarige geeft nog een brul, gooit zijn (overigens naadloze) sokken zover mogelijk weg en pleurt z’n schoenen erachteraan. Dan werpt hij zichzelf huilend als een wolf op de keukenvloer – naast het bijltje dat ik er al maanden geleden bij had neergelegd.
Ik raakte maar niet gewend aan dit vaak tweemaaldaagse ritueel. Of het nou een randje, kledinglabel of broekrits was, mijn zoon voelde álles. En ik ook. Mijn hart brak in steeds kleinere stukjes. En mijn wilskracht en doorzettingsvermogen ook. Dus niet alleen hij kwam vier van de vijf dagen met behuilde rode ogen op school. Met het verschil dat mijn ogen zwart waren. Zelfs de meest waterproof mascara had deze ‘proof’ niet kunnen doorstaan.
Mijn frustratie kon woekerend z’n gang gaan. Want hulp accepteerde mijn zoon niet. En naadloze sokken, shirts met weggepeuterde labels of broeken zonder rits werkten niet. Evenmin als mijn begripvolle, grappige of strenge reacties op deze buien. Niets hielp.
En dus werd ik maar boos. Kon er in elk geval íemand in huis ergens heen met zijn gevoel – dat altijd meedogenloos werd omgezet in langdurig schuldgevoel. Daar was mijn hoofd bijzonder behulpzaam in.
Het is maart 2014. Zoon is inmiddels 10 en zijn DITZITNIETLEKKER-buien zijn verminderd. Van dagelijks naar wekelijks. Van soms naar zelden.
Op een donderdagmiddag hoor ik beneden een bekend geluid. Wolvengehuil. Mijn hart schiet een etage omhoog en bonkt in mijn keel: oh no, daar gaan we weer… Niet nu! Hij heeft een belangrijke hockeytraining waar hij op tijd móet zijn!
En daar ligt ‘ie. Over de keukentafel, joelend dat zijn hockeyschoenen zo afschuwelijk zitten. Aan twee kanten van de keuken liggen de afgeserveerde (lievelings!)schoenen als blauwrode bewijsstukken.
‘Ze passen niet! Ze zitten niet lekker!!’ ondertitelt hij schreeuwend dit stilleven.
Ik kijk op de klok. Ik haal adem. Ik pak de schoenen. Tegen beter weten in bied ik mijn hulp aan, die hij dan ook vol boze tranen weigert.
Ik zeg niet dat de veters ook nog veel te strak zitten. Of dat de training nú begint.
Ik sla mijn armen om hem heen en fluister: ‘Huil maar even. Je weet dat dit overgaat. Het duurt een paar minuutjes en dan is het voorbij.’
Hij zegt niets. Na een urenlange minuut voel ik hem ontspannen en knikken. Nog ietwat bokkig pakt hij de hockeyschoenen van mij over en wurmt ‘ie zijn voeten erin.
‘Ik ga, mam,’ zegt hij.
Ik knik. Hij gaat.
Ik ben trots op hem. En een klein beetje op mezelf. Hij werd ouder, ik iets wijzer.

